home

De VUKH methode

 

Schilder- en tekenonderwijs voor volwassenen.

 

Deze lesmethode is ontwikkeld in de praktijk en op schrift gedurende de laatste 25 jaren. De methode is er op gericht om enerzijds een goed fundament te leggen en anderzijds te streven naar sterk persoonlijk getint werk, zowel qua stijl als qua beeldtaal. De lessen worden gegeven aan groepen van maximaal 15 volwassen leerlingen. In deze groepen wordt iedereen strikt persoonlijk begeleid en werkt men in een eigen tempo. Nieuwe leerlingen stromen in bestaande groepen in. Binnen de groepen zijn dan ook mensen van verschillend niveau aan het werk. Hoewel de lesmethode meerdere studiejaren omvat, is er na ieder schooljaar een uitstapmoment, waarbij een bepaald deel van de lesstof is afgerond. Veel leerlingen blijven echter lang, ook na het einde van de eigenlijke lessencyclussen. Voor hen worden ieder jaar nieuwe, op de persoon toegespitste, opdrachten geschreven. Sowieso worden de lessen iedere zomer deels herschreven of aangevuld om de methode levendig en up to date te houden.

De basis 

In het teken- en schilderonderwijs is een goede basis erg belangrijk. Hoe breder de basis is, hoe meer deskundigheid en mogelijkheden een leerling verderop heeft. Er wordt gewerkt aan de hand van stillevens, van opdrachten en, soms, ook van een model. Het aanleren van de basiskennis neemt ergens tussen de 2 en 4 cursussen in beslag, afhankelijk van de snelheid waarmee een leerling zich de lesstof eigen maakt. De volgende onderwerpen komen aan de orde:

Vormopbouw:

Leerlingen oefenen in het opzetten van een stilleven in eenvoudige vormen. Hierbij zijn plaats, grootte, hoogte en breedte van vormen van belang. Als de opzet klopt, worden vormen daaroverheen specifieker getekend of geschilderd. Er wordt nu meer gekeken naar hoe een object er daadwerkelijk uitziet. Het begrip vormpartitie is hier van belang: vormen bestaan meestal uit verschillende onderdelen: een fles kent zo b.v. een romp en een hals. Het is makkelijker vormen weer te geven door de onderdelen ervan vergelijkenderwijs met elkaar in een goede verhouding vast te leggen. Wat verderop in de lesstof wordt het vorm suggererend tekenen of schilderen belangrijk. De leerlingen geven niet meer exact objecten weer, maar meer een indruk ervan. Deze manier van werken is vooral belangrijk bij het weergeven complexere natuurvormen, die vaak te ingewikkeld zijn om exact weer te geven. Men leert belangrijk en niet belangrijk van elkaar te onderscheiden, het onbelangrijke, meestal gedetailleerde, wordt weggelaten en vervangen door een persoonlijke suggestie van de objecten. Vormweergave is iets wat ook door oefening beter wordt. Er wordt dan ook in aparte lessen veel tijd besteed.

De werking van het licht en donker:

We gebruiken licht en donker bij het schilderen, om objecten een suggestie van ruimtelijkheid te geven. Het is van groot belang: zonder licht en donker is een schilderij plat en levenloos, zonder accenten en variatie. Iedere vorm kent licht en donker. De leerling oefent in het waarnemen en daarna in het weergeven ervan. Licht en donker worden altijd sterk overdreven weergegeven om het effect van ruimtelijkheid, kracht en levendigheid te optimaliseren. Geleerd wordt in verschillende tonen van licht naar donker te werken, soms sterk, dan weer zwak. Ook wordt er gewerkt met het verschil tussen textuur en structuur: Een vorm kent licht- en donkerwerking door de lichtval maar ook door kleur- en licht/donker verschillen op de huid. Het structuur licht en donker is altijd sterker dan dat van de textuur.

Kleurenleer:

Er wordt gewerkt aan de hand van de kleurenleer van Johannes Itten. Er bestaat een onderscheid tussen primaire, secundaire en tertiaire kleuren. De primaire kleuren zijn rood, geel en blauw, de secundaire zijn de onderlinge en evenredige vermengingen daarvan: paars, groen en oranje. De tertiaire kleuren zijn alle andere kleuren, zoals bruinen, aardkleuren en materiekleuren. Deze groepen van kleuren leren we gerangschikt te gebruiken: Primaire kleuren zijn het sterkst, dus die gebruiken we in de voorgrond. Secundaire kleuren zijn wat zwakker en tertiaire het zwakst. Die worden dan ook in een achtergrond gebruikt. Leerlingen maken variaties op dit schema: hoogtonale (licht) en dieptonale (donker) schilderijen. Ook wordt er lumieristisch (sterke licht/donker werking) en coloristisch (licht en donker wordt vervangen door heldere maar ook zwakkere kleuren) geschilderd. Tenslotte werken we aan het kleurgebruik van eigen de voorkeur. Ook komt het verschil tussen tint en toon aan de orde: hoe kleuren donkerder of lichter te maken zonder dat de kleurkracht afneemt of juist variaties in kleuren waarbij de kleursterkte wel afneemt maar de licht en donker waarde niet. Er worden ook een aantal belangrijke kleurcontrasten behandelt, zoals: het complementaire en lineaire contrast van kleuren die elkaars werking versterken of juist doen afnemen, het koud warm contrast, het kwantiteit contrast, het simultaancontrast en nog een vele andere.

Compositieleer:

De compositie in een schilderij is belangrijk voor het evenwicht in het beeld.  Er wordt al snel kennis gemaakt met de begrippen voorgrond, middenpartij en achtergrond en met kijkplannen. Gebieden die allemaal een eigen bewerking kennen met betrekking tot  kleur-, vorm- en licht/donker gebruik. Uitkadering is een ander facet van de compositieleer. Leerlingen leren werken met begrippen als gebruikte ruimte, restruimte en aflopende vormen, afwisselingen tussen groot en klein, sterk en zwak, druk en rustig. De plaatsing van sterke aandachtspunten is ook van belang, alsmede het gebruik maken van richtingen en tegenrichtingen in de beeld. In de rangschikking van objecten in een beeld zijn altijd een hoofd- en tegenrichting te ontdekken. De indeling in voor, midden- en achterpartijen verdwijnt verder op in de lesstof langzaamaan. Er komt een indeling in veel meer partijen voor in de plaats. Ook een indeling in statische en dynamische onderdelen komen aan bod, als ook de relatie tussen kleur met compositie.

Eigen stijl:

Tijdens de basisfase wordt er al een begin gemaakt met het ontwikkelen van een eigen stijl. Leerlingen worden bewust gemaakt van de kenmerken van hun eigen manier van schilderen in tegenstelling tot die van b.v. andere leerlingen. Aan de hand van voorbeelden uit de kunstgeschiedenis worden suggesties en aanvullingen van de kenmerken van de eigen schilderwijze aangeboden. Al werkende wordt zo de persoonlijke signatuur sterker gemaakt.  In de lessencyclussen na de basislessen wordt de nadruk op de eigen stijl veel sterker.

 

Van tekenend schilderen naar schilderend weergeven:

Als mensen beginner zijn in het schilderen werken ze bijna altijd keurig binnen de lijntjes van een schets. Dat levert meestal statische en starre beelden op. We spreken van poussinisme: het inkleuren van van tevoren getekende vormen. Het is de bedoeling dat leerlingen een meer schilderachtige wijze van werken aanleren. Schilderijen zijn dan meer coherent, levendiger, persoonlijker en complexer. De verf doet als het ware een deel van het werk. We leren een stilleven in vlekken opzetten die grofweg plaats en grootte van vormen aangeven. Begrenzingen ontstaan nu niet door potloodlijnen, maar doordat kleurvlekken tegen elkaar aanbotsen. Alles in het beeld wordt zo in een keer opgezet. Dat zorgt voor samenhang. De kwaststreek wordt hierbij ook heel belangrijk. Bij de een is die sterker, bij de ander wat voorzichtiger, maar het is een machtig wapen in de schilderachtige vorm opbouw. Na de opzet wordt het schilderij verder uitgewerkt door kleinere vlekken en kleurovergangen over of in de al bestaande laag aan te brengen en zo langzaam naar vorm en resultaat toe te werken. De een streeft naar meer detaillering dan de ander.  Kleurmenging geschiedt zo zowel op het palet, als op het schilderij zelf, door aan natte verflagen andere kleuren toe te voegen. Deze werkwijze noemt men rubinistisch. Een wisselwerking van kleur, verf, kwast en schilder. Uiteindelijk is er binnen het rubinisme oneindig veel meer mogelijk: meer vrijheid en meer eigenheid. 

De specialisatie:

Wanneer leerlingen de basiskennis beheersen worden er een aantal specialisaties aangeboden: landschap, portret of abstract en figuratief werkend aan de hand van opdrachten.

Landschap:

Het landschap is een aparte discipline binnen het schilderen. Landschappen zijn altijd complex, niet exact weer te geven. Eerst maken we kennis met een aantal onderdelen van dit onderwerp: hoe schilder je bomen, bossen, lucht, water, rots- en bergpartijen enz. Het wordt al gauw duidelijk dat een fotografische weergave zo goed als onmogelijk is: je kunt nu eenmaal niet ieder blaadje van een boom schilderen. Dus komt hier het suggereren van natuurlijkheid om de hoek kijken: wat laat je weg en wat benadruk je en hoe. Dit wordt grondig geoefend. Bij het suggereren wordt de eigen stijl steeds belangrijker. Die vervangt als het ware de letterlijkheid in de natuurweergave. Het is de bedoeling dat er gaandeweg werk ontstaat dat duidelijk van de hand van een specifieke leerling is. Licht en donker is in het landschap zeer belangrijk. Het is het bindmiddel van alle onderdelen in een schilderij. Moest in een stilleven het licht en donker al overdreven weergegeven worden, in het landschap is dat nog veel sterker. Dit komt doordat de ruimtelijkheid van een landschap vele malen groter is dan in een stilleven. In feite zetten we eerst het licht en donker op en daaroverheen de herkenbare delen van het landschap. Een goed voorbeeld is het schilderen van een boom: Eerst brengt de leerling grofweg de vorm aan van de te schilderen boom. Hij geeft aan welke gebieden doorzichtig zijn en welke niet. Vervolgens brengt hij een grove indeling in licht en donker aan in vlekken. Met die vlekken als basis werkt de schilder verder naar herkenbaarheid toe, door steeds kleiner wordende vlekken, van steeds sterker wordende verschillen in licht en donker toe te passen. Pas op het einde brengen we een soort van suggestie van blad aan door stippels of kriebelige kwaststreekjes.  Erg belangrijk is het gebruik van kleur in het landschap. Bijna alles in de levende natuur is groen of bruin. Het nadeel van deze kleuren is dat ze op een schilderij juist vlak en levenloos werken. De schilder leert gebruik te maken van aan de natuur oneigen kleuren, juist met de bedoeling om meer levendigheid en natuurlijkheid in het schilderij aan te brengen. De een zal een voorkeur hebben voor het mengen van groen en bruin met heldere kleuren. De ander zal groen en bruin helemaal, of zo goed als helemaal, achterwege laten. Gaandeweg introduceren we ook het begrip sfeer. Landschappen kennen altijd een sfeer, somber of juist vrolijk, uitbundig of juist stil, hard of zacht, vriendelijk of agressief, etc. etc. Elk van die sferen kent een eigen kleurgebruik, een eigen kwasthantering en vormgebruik. Het is de bedoeling dat aspecten van een sfeer gekoppeld worden aan de eigen stijl, op een zodanige manier dat er een eenheid van vorm, sfeer en stijl ontstaat, die specifiek aan de persoon van de schilder te koppelen is.

Portret:

Portretschilderen en tekenen is een complexe aangelegenheid. Het luistert nauw. Plaatsing van onderdelen van het gezicht moet zeer nauwkeurig gebeuren. Het moeilijke van portret is, dat alles in vlekken kleur, licht en donker opgebouwd moet worden. Het mag vreemd lijken, maar in een portret komt weinig lijnwerk voor. We maken eerst kennis met de verschillende standen van het hoofd: en face, en profile en er tussen in. Door neus, mond en ooglijnen te plaatsen geven we aan waar die onderdelen later moeten komen te staan. Vervolgens gaan we het gehele gezicht in vlekken opbouwen. Een hoofd is een bolle vorm, dus die verschillen moeten sterk zijn, anders wordt het gezicht plat. Ogen, mond, neus, oren en haar, zijn en blijven ondergeschikt aan die basisindeling in kleur, licht en donker: men leert kaaklijnen (boven- en onderkaak), oogkassen, kin, voor- en bovenhoofd (meestal bedekt met haar), onderhoofd (waar neus oog en mond zich bevinden), wang- en nekspieren en oren te onderscheiden en weer te geven. Deze belangrijke onderdelen moeten eerst goed op hun plek staan, voorzien van de juiste tint en licht en donker. Pas daarna gaan we ogen, neus en mond aangeven. We leren die ook weer uit vlekjes op te bouwen:  Het oog b.v. is een bol in de holte van de oogkas. Het is in feite een balletje in een donkere setting, de oogkas is immers donkerder dan de wangen en wenkbrauwen waar ze tussen ligt. Bij lippen onderscheiden we een boven- en onderlip. Meestal is de ene lip licht, terwijl de andere juist donker is. De neus bestaat uit een brug en vleugels, we leren die in diverse standen, in een goede verhouding te schilderen, weer zonder een lijn te gebruiken, enkel vlekjes. Ook wordt er aandacht besteed aan achtergronden. Als dit allemaal onder de knie is, wordt er geoefend met verschillende types van gezichten: oud, jong, sterk, teer, vrouwelijk, mannelijk, enz. Gaandeweg, als de leerling wat meer grip op de materie heeft gekregen, gaat de eigen stijl een steeds grotere rol spelen. De bedoeling is, ook hier weer, een evenwicht te scheppen tussen eigen stijl en gelijkenis, al of niet gekoppeld aan elementen van sfeer. Ook kan er aandacht besteed worden model schilderen.

Opdrachten:

Veel leerlingen kiezen voor het werken aan de hand van verbaal gestelde opdrachten.  Daarbij komt onmiddellijk het begrip beeldtaal op de proppen. Beeldtaal is het gebruik van vorm, kleur, kwaststreek en compositie op een zodanige manier dat er een idee overgebracht wordt. Dat kan via de weg van de abstractie, maar ook via de weg van de figuratie. Het maakt niet uit, het gaat om het verbeelden i.p.v. het afbeelden. We beginnen met oefeningen waarbij we composities maken met abstracte vormen die eenvoudige tegenstellingen uitbeelden. B.v. groot en klein, dik en dun, etc.  Vervolgens leren we een paar seizoenen te schilderen, zonder dat er bomen of bloemen te zien zijn, of muziek, zonder een instrument of noten af te beelden. Dit is al een echte inleiding tot het verbeelden. Steeds moeilijker wordende opdrachten volgen elkaar op. De bedoeling hiervan is dat de leerling steeds weer uitgedaagd wordt om zijn of haar specifieke beeldtaal verder te ontwikkelen. Er volgen reeksen lessen die gaan over z.g.n. typonomieen, veel in de schilderkunst gebruikte onderwerpen, zoals groei, leven, stilte, warmte, jeugd, ouderdom, mannelijkheid, vrouwelijkheid, etc. Hierbij gaan we ook de eigen stijl aan de vormgeving van het idee koppelen. Niet alleen de verbeelding moet persoonlijk zijn, maar de manier waarop die geschilderd wordt ook. Er moet zelfs een eenheid ontstaan tussen stijl en verbeelding. Er volgen weer series opdrachten die dat ontwikkelen van het eigen idee in samenhang met de eigen stijl verder uitwerken. Bijvoorbeeld het schilderen van fantasieen over bestaande steden, klimaten, verre oorden, gevoelens. Abstract of figuratief, het verschil daartussen vervaagt.  Na verloop van tijd zijn leerlingen in staat om echt moeilijke onderwerpen te verbeelden op een volstrekt eigen manier, in een volstrekt eigen stijl.

Het vervolgtraject

Na het doorlopen van basis en specialisatie bent u in principe in staat zelfstandig verder te werken. Veel leerlingen kiezen er toch voor om lessen te blijven volgen. Voor hen worden persoonlijke lessencyclussen geschreven, met als bedoeling om uiteindelijk de specifieke eigenheid van het werk te vergroten. Het zijn meestal jaaropdrachten, waarbij het nodig is dat men gaat studeren via de weg van het reactief schilderen: het huidige schilderij is een vervolg of reactie op het schilderij ervoor, net zoals het huidige schilderij een vervolg of reactie krijgt in een volgend schilderwerk. Deze werkwijze zorgt voor een merkbare verbreding en verdieping van de schilderkunstige mogelijkheden.


Materialenlijst

Belangrijk te weten is dat de materialen in fases gedurende (vervolg)cursussen worden aangeschaft. Zo beginnen we met een zestal kleuren, gaandeweg worden dat er twintig of dertig, of, naar eigen behoefte, zelfs nog meer.

Geschilderd wordt er in een techniek naar keuze: Olie- of Acryl- of Aquarelverf. Tekenaars werken weer met andere materialen.

Olieverf:

Kleur: grote tubes talens amsterdam of windsor and newton (winton).

Fase1: cadmium rood, cadmium geel, ceruleum blauw, pruisisch blauw, ivoor zwart, zink wit.

Fase 2: gele oker, gebrande omber, rauwe sienna, sap groen, van dijcks bruin.

Fase 3: citroen geel, vermiljoen, karmijn rood, alazarin crimson rood, permanent groen, ultramarijn, kobalt blauw, rode oker. Daarna kiest men zijn kleuren verder zelf

Drager: Aanvankelijk wordt er op schilderpapier geschilderd, papier dat wat dikker is als tekenpapier. 20 vel van ongeveer 50 bij 65 cm. Later werkt men op doeken van verschillende grootte.

Penselen: van verschillende breedte, bij voorkeur varkenshaar, of wat zachtere kunststof kwasten. Van een breedte van drie cm tot een breedte van een halve centimeter. We beginnen met drie penselen en breiden dat later verder uit, ook met spalters en paletmessen.

Een palet: plank triplex van ongeveer 40 bij 30 cm. Liever geen papieren scheurpaletten, die zijn te klein.

Een schetsblok: A3, met 4b en 6b potloden en een gum.

Medium: 1 liter terpentine, 1 liter geurloze lampolie. Enige lege jampotten. Een keukenrol, pushpins of tekenklemmen.

Acryl:

Kleur: grote potten van een halve liter, amsterdam of windsor and newton.

Fase1: cadmium rood, cadmium geel, ceruleum blauw, pruisisch blauw, ivoor zwart, mixing white.

Fase 2: gele oker, gebrande omber, rauwe sienna, sap groen, van dijcks bruin.

Fase 3: citroen geel, vermiljoen, karmijn rood, alazarin crimson rood, permanent groen, ultramarijn, kobalt blauw, rode oker. Daarna kiest men zijn kleuren verder zelf.

Drager: Aanvankelijk wordt er op schilderpapier geschilderd, papier dat wat dikker is als tekenpapier. 20 vel van ongeveer 50 bij 65 cm. Later werkt men op doeken van verschillende grootte.

Penselen: van verschillende breedte, bij voorkeur geen varkenshaar, liever wat zachtere kunststof kwasten, van een breedte van drie cm tot een breedte van een halve centimeter. We beginnen met drie penselen en breiden dat later verder uit, ook met spalters en paletmessen.

Een palet: plank triplex van ongeveer 40 bij 30 cm. Liever geen papieren scheurpaletten, die zijn te klein.

Een schetsblok: A3, met 4b en 6b potloden en een gum.

Medium: water. Enige lege jampotten. Een keukenrol, pushpins of tekenklemmen.

Aquarel:

Kleur: tubetjes (geen kuipjes) amsterdam of windsor and newton.

Fase1: cadmium rood, cadmium geel, ceruleum blauw, pruisisch blauw, peynes grijs.

Fase 2: gele oker, gebrande omber, rauwe sienna, sap groen, van dijcks bruin.

Fase 3: citroen geel, vermiljoen, karmijn rood, alazarin crimson rood, permanent groen, ultramarijn, kobalt blauw, rode oker. Daarna kiest men zijn kleuren verder zelf. Evt. aquarel kleurpotloden  aan te schaffen.

Drager: Aquarel papier van een studiekwaliteit, 50 bij 65 cm, 25 vel. Aanvankelijk geen zware papieren met een sterke structuur. Het papier wordt opgespannen op een plaat van 60 bij 75 cm van watervast multiplex minimaal een halve cm dik. Voor het opspannen wordt aquarel plakband gebruikt, de brede bruine soort.

Penselen: Aquarelpenselen van nylon, geen marterhaar. Enige ronde penselen met een punt en enige vlakke penselen. We beginnen met twee kwasten: een platte van ongeveer 1,5 cm breed en een rond penseel nr 12.

Palet: plastic aquarel palet van groot formaat.

Een schetsblok: A3, met 4b en 6b potloden en een gum.

Medium: water. Enige lege jampotten. Een keukenrol, evt. een föhn.

Tekenen:

Potloden 4b en 6b, houtskool, contee krijt zwart, gum en kneedgum, bus haarlak. Pushpins of tekenklemmen.

Drager: 20 vel tekenpapier 50 x 65 cm. Schetsblok A3.

Kleur: doosje pastelkrijt van ongeveer 10 kleuren bij voorkeur van talens, later uit te breiden naar een doos van ongeveer 30 kleuren. Evt. contee kleurkrijt aan te schaffen.

 

Een tekenmap en een stevige tas zijn aan te bevelen. Werkkleding idem.